12 april 2017

Wolf Eyes / Author & Punisher / Nah / Briqueville (AB Club - 07.04.2017)

Artistiek AB-directeur Kurt Overbergh zet met het BRDCST-voorjaarsfestival, waarvan de eerste editie in 2016 plaatsvond, in op muzikale grenzeloosheid en maakt ter duiding van zijn programmatie zelfs gewag van maatschappelijke gelaagdheid en een interculturele insteek. Aan dure woorden geen gebrek dus, maar gelukkig ook geen gebrek aan boeiende muziek. En hoewel vanavond lichtjes onevenwichtig was op muzikaal vlak, was het absoluut de moeite waard om nog eens af te zakken naar de AB.

De uit Philadelphia afkomstige Michael Kuhn is een hyperactieve multidisciplinaire muzikant die opereert onder de naam Nah. Hij maakt gebruik van zowel een drumcomputer als van 'echte' drum-onderdelen. Aanvankelijk levert dit vrij doordeweekse muziek op, maar het wordt na verloop van tijd wel wat spannender wanneer hij zijn hoodie uittrekt en zich al zingend en schreeuwend als een stuiterbal tussen het publiek begeeft. Stadsgenote Camae Ayewa a.k.a. Moor Mother verzorgde een al even kort als hevig gastoptreden, voordat ze even later zelf aan de overkant van de straat in Café Bonnefooi het podium moest bestijgen. Al bij al geen optreden dat me lang zal heugen, maar Kuhn was duidelijk een artiest van het oprechtere en intensere soort.

Eenzelfde gevoel had ik bij het concert van Author & Punisher, het éénmansproject van de uit San Diego afkomstige Tristan Shone. Zeer opmerkelijk was zijn instrumentarium : duidelijk het resultaat van ontelbare uren knutselen in zijn schuurtje. Zijn microfoon leek wel op een omgebouwd moederbord uit een Commodore 64, waaruit allerlei verschillende stem-effecten gehaald konden worden. Voor hem allerlei knoppen en mengpanelen. Aan zijn ene kant een soort van hendel - die van het type waarmee je in Star Trek in 'warp' gaat - waarmee een drone-achtige klank werd gemaakt. Aan zijn andere kant het opvallendste instrument : een houten schraag met daarop een zware metalen schuif, op zijn plaats gehouden door verzwaarde kettingen. Door de metalen schuif naar voor of naar achteren te stoten, konden allerlei beats gemaakt worden. En rond de nek van Shone ook nog allerlei draden, waardoor hij met alle onderdelen van zijn hobby-set verbonden was. Het begon allemaal zeer interessant en klonk als een soort kruisbestuiving tussen industrial, doom en metal. Maar mettertijd sloeg de verveling toe en kalfde het concert af, waarbij ik automatisch moest terugdenken aan de mindere concerten tijdens de diverse edities van het Black Box-festival in Cahier de Brouillon.

Maar gelukkig was er het immer interessante en machtige Wolf Eyes om de meubelen te redden. Recent werd een nieuw album uitgebracht ("Undertow"), de .....-tigste release van deze noise-helden uit Detroit. Maar "noise" is tegenwoordig niet meer echt het ideale epitheton ornans om de muziek van dit trio te omschrijven. Zoals ook vorig jaar al bleek uit hun concert tijdens het Uncanny Valley-festival, evolueert de muziek van Wolf Eyes meer en meer naar zeer uitgepuurde soundscapes, waarbij pure noise nog nauwelijks aanwezig is. John Olson beperkt zich tot spaarzame freejazz-achtige interventies op sax of dwarsfluit of tot ritmisch schudden met maracas. James Baljo friemelt wat op zijn gitaar en Nate Young draait aan knopjes terwijl hij vocaal lijkt te freewheelen. Het resultaat : een één uur durende bezwerende trip, waarbij het niet altijd duidelijk is in welke mate geïmproviseerd wordt. Eén nummer werd aangekondigd als een solo vocaal-experiment, getiteld "Lifeless worms". En op een ander moment liet Young zich ontvallen "We don't know what the fuck we're doing up here." Wat er ook van weze, Wolf Eyes is en blijft een mateloos boeiend project dat wederom garant stond voor een heerlijk intrigerend concert. Jammer dat hun uitstekende plaat "Undertow" nauwelijks een kwartiertje duur.

Voor de geduldige nachtraven was achteraf nog een gratis middernacht-toetje voorzien, middels een concert van Briqueville, de Belgische postmetal/doom-band die zich verschuilt achter gouden maskers, donkere gewaden en een ietwat grappige mythe-cultus. Zopas werd hun tweede plaat (mathematisch correct "Briqueville II" geheten) boven de duistere doopvont gehouden. Op muzikaal vlak worden niet echt nieuwe paden betreden, maar soms is dat ook niet nodig. Lekker moddervette shit op het kruispunt van Isis en Amen Ra. En dat nachtelijke concert is ook nog eens gratis en voor niks - en in uitstekende kwaliteit - online te bekijken. Hoor ik U nog ?



05 april 2017

Agrippina (Opera Antwerpen - 04.04.2017)

Machtsgeilheid en de ermee gepaard gaande intriges in bevoorrechte milieus, zijn tegelijk weerzinwekkend en onweerstaanbaar. Er gaat een soort van seksueel spanningsveld uit van dit soort machtsspelletjes, die van alle tijden zijn. Op moreel vlak verwerpelijk, maar ondertussen smult het gewone volk er wel van. Zo vergaapte een immens TV-publiek zich in de jaren '80 aan het wel en wee van de Ewings in Dallas en de Carrington-clan in Dynasty. Als opgroeiende puber had ik het vooral voor die laatste serie. Wat was die Alexis een manipulatieve feeks maar ook een prikkelend seksueel roofdier ! Of het aplomb waarmee JR Ewing zijn losse handjes vlotjes combineerde met schimmige zakendeals !

Vanwaar deze soap-intro ? Omdat de opera "Agrippina" van Georg Friedrich Händel, geschreven in 1709, over dergelijke intriges in hogere milieus gaat (in casu het oude Rome). En omdat de bewerking van Opera Ballet Vlaanderen en regisseuse Mariame Clément de actie transporteren van het Forum Romanum naar de barokke TV-sets van de jaren '80. Want ook al draait de intrige rond keizer Claudius, zijn vrouw Agrippina, haar zoon Nero, legerleider Otto en hofdame Poppea, toch verschillen de verwikkelingen nauwelijks van de verdorven manipulaties van JR Ewing of Alexis Carrington.


























De plot laat zich lezen als een satirische komedie en vertoont af en toe zelfs een verwantschap met "Vast in de kast"-achtige deuren-komedies, zoals die ongetwijfeld nog steeds vaak opgevoerd worden in talloze parochiezalen ten lande. Ik beperk me tot hoofdlijnen van de intrige : wanneer het gerucht de ronde doet dat keizer Claudius is omgekomen tijdens een zware storm op zee, ziet zijn echtgenote Agrippina haar kans schoon om haar zoon Nero tot nieuwe keizer te bombarderen. Ze doet hiervoor o.a. een beroep op de diensten van haar twee opportunistische handlangers en minnaars Pallante en Narcisso. Maar het gerucht blijkt vals te zijn : het leven van Claudius werd gered door legerofficier Otto, aan wie als dank de troonopvolging wordt beloofd. Zo ziet Agrippina haar plannen in het water vallen. Maar wanneer Agrippina te weten komt dat zowel Claudius als Otto hun oog hebben laten vallen op de mooie hofdame Poppea, hoopt ze hier garen uit te spinnen. Ze weeft een web van intriges en zet de aanbidders van Poppea tegen elkaar op, in de hoop alsnog haar zoon Nero tot keizer te laten kronen. Het bedrog van Agrippina wordt echter ontdekt en onthaald op een wraak-intrige door Poppea. Het eindresultaat ? Zowat iedereen (met uitzondering van de pure Otto) liegt en bedriegt dat het een aard heeft ... en uiteindelijk wordt iedereen ervoor beloond. Nero zal keizer mogen worden (tot groot genoegen van Agrippina) en Otto en Poppea zien hun wederzijdse liefde bezegeld.

























Wat een heerlijk frisse en tegelijk relevante versie van "Agrippina" kregen we vandaag op de planken geserveerd ! De sprong van het oude Rome naar de decadente jaren '80 (inclusief pastelkleurige kostuums voor de heren en haarlak-kapsels voor de dames) was een stroke of genius. Alles aan deze productie werd verpakt als een lang uitgesponnen aflevering uit een soap-serie, inclusief begin- en eindgenerieken. Zelfs de stijl van die generieken was pastiche-gewijs overgenomen uit Dallas en Dynasty : het scherm opgedeeld in diverse stroken en de typische fel-gele kleur van de letterzetting. Ook de prachtig aangeklede decors rolden af en aan als TV-sets, met het publiek als voyeuristisch glurende camera. Boven de decors fungeren video-beelden als suggestieve moodboards, die de sfeer van het decor wat meer in de verf zetten : een exclusief resort of dito restaurant, een rijkelijke garderobe, een bureau (met obligate drankkast, want er wordt in de hogere kringen flink wat afgezopen), een smerig dure badkamer, een limousine, ... En wanneer de protagonisten eventjes van hun decorstuk afdwalen, is een kleine ingreep op het moodboard voldoende om een nieuwe setting te suggereren (bijvoorbeeld een idyllische boswandeling).

























Wat de stemmen betreft, sprong vooral de Britse contratenor en publiekslieveling Tim Mead in het oog. Hij mocht na afloop het luidste applaus oogsten. Enkele van zijn aria's waren dan ook de muzikale hoogtepunten van deze productie. Zijn "Voi che udite il mio lamento" en "Tacero pur che fedele" gingen door merg en been. De opbouw van deze barokke opera - met de strikte opvolging van verhalende recitatieven en wijds meanderende aria's - en het stemmengebruik (opvallend veel contratenoren wiens rollen in Händel's tijd door castraten werden vertolkt - Nero werd hier zelfs door een vrouw vertolkt) vergde wel een beetje tijd om er 'in' te komen. Maar aan tijd geen gebrek : de productie duurde een whopping 4 1/2 uur (inclusief twee pauzes). Niet verwonderlijk als je weet dat doorheen deze opera een kleine 50 aria's verweven zijn : korte tekstfragmenten of alinea's die schijnbaar eindeloos lang herhaald en her-zongen worden. In de huidige jachtige tijden - gekenmerkt door een verlangen naar constant nieuwe impulsen - was het heerlijk om mee te maken hoe de tijd op deze wijze als het ware 'uitgerokken' werd.

En dus was dit weer een heerlijk avondje opera. Als enige minpuntje kan ik aanstippen dat we vanaf onze zitplaats  - ondanks de toch wel fikse ticketprijs - geen blik konden werpen op de orkestbak, waar dirigent Stefano Montanari blijkbaar met de uitstraling van een ruwe rocker geregeld soleerde op zijn barokviool. Een mens kan niet alles hebben, zullen we maar denken. Tenzij je jezelf met ellebogenwerk - en gespeend van scrupules - naar de top wringt : dan kun je wél alles hebben. Dat lijkt wel de boodschap van deze opera te zijn. Maar dan moet de laatste epiloog-video nog vertoond worden : het uiteindelijke lot van de protagonisten, die allemaal gewelddadig om het leven kwamen. 't Zal hen leren !



30 maart 2017

Ad Noctum (De Warande Kuub - 29.03.2017)

De Franse choreograaf Christian Rizzo (°1965) maakte deze voorstelling als tweede deel in een drieluik, waarbij hij zich liet inspireren door (volks)dans als sociaal ritueel. Anderzijds vatte hij deze choreografie ook op als een soort van nocturne, een ode aan de duisternis.

Op het podium : een groot vlak met geometrische patronen, uitgetekend in zwart/witte lijnen. Twee dansers (Kerem Gelebek en Julie Guibert). En een derde protagonist : een zwevende box waarvan de zijden zijn bespannen met een soort van gaas en waarin projectiemateriaal geïnstalleerd is. Bij de aanvang van de voorstelling is het nog stil en pikdonker. Eén zijde van de box licht op en het geschuifel van de twee dansers is de enige soundtrack. Langzaam zwelt dan toch de muziek aan (een boeiende electronica-soundscape van Puce Moment, zijnde Nicolas Devos en Pénélope Michel) en volgt de eerste van ontelbaar veel black-outs : gedurende enkele seconden wordt het compleet donker, waarna de box één van zijn vele licht-variaties aanneemt en de twee dansers vanuit andere posities op het geometrische vlak hun dans hernemen.

Soms lichten de zijden van de box op, soms worden van binnenuit beelden op de gaas geprojecteerd of wordt de illusie van mist opgeroepen. Licht-kunstenares Caty Olive ontwierp de licht-composities, terwijl de Taiwanese computergraficus Juan-Hau Chuang en vidéaste Sophie Laly de geprojecteerde beelden ontwierpen. Een heuse multi-disciplinaire onderneming dus. Op een gegeven moment lijkt de laatste black-out een feit te zijn. Maar dan keren de twee dansers alsnog terug, ditmaal gekleed als twee harlekijnen, traag en monotoon bewegend terwijl uit hun kostuums rook opstijgt. Dit alles op de muziek die Arvo Pärt componeerde bij het uit 1789 daterende gedicht "My Heart's in the Highlands" (Robert Burns).

Ik kon deze voorstelling best wel pruimen, alhoewel de vele black-outs op den duur de hegemonie van de choreografie niet ten goede kwamen en het geheel té fragmentarisch overkwam. Dat dit soort van voorstellingen geen spek voor ieders bek is, bleek duidelijk uit een gesprek dat ik nadien in de wandelgangen kon opvangen tussen twee tienermeisjes (want ja, er zaten duidelijk weer veel verplicht aanwezige leerlingen in de zaal, een bij veel voorstellingen vrij storend element waarvan ik het nut toch af en toe in twijfel trek). Dixit één van de bakvissen : "Oh My God, dees was verschrikkelijk !" Ach, misschien zou ik op die leeftijd wel dezelfde mening geuit hebben.

19 maart 2017

Raw Tonk Festival (De Singer - 18.03.2017)

Ripsaw Catfish
Naar aanleiding van de vijfde verjaardag van het Londense label Raw Tonk Records mochten vanavond drie duo's partij geven, bij wijze van staalkaart van de muziek waar het bij dit label rond draait : improvisatie, experiment, freejazz. Niet meteen de meest toegankelijke muziekvormen en dat was helaas ook te merken aan de ietwat schamele opkomst in De Singer vanavond. Maar de drie duo's lieten het niet aan hun hart komen en deden hun platenlabel - en de vrije muzikale spirit die aan de grondslag lag tot oprichting ervan - alle eer aan.

Te beginnen met Ripsaw Catfish, zijnde Cath Roberts op baritonsax en Anton Hunter op gitaar. Meteen het minst toegankelijke duo als opener van de avond. Korte en hoekige uithalen op de sax, begeleid door quasi akkoorden-loos gefriemel op gitaar, waarbij korte stiltes & pauzes de harde en calvinistische 'kaalheid' van de duo-sound nog onderstreepten. Met zo'n instrumentarium zou je hard en zelfs gewelddadig kunnen uithalen, maar het duo legde een soort van muzikale ascese aan de dag en daardoor riep deze van alle franjes ontdane improv-set ironisch genoeg een soort van pure intimiteit op. Niet meteen muziek voor tijdens een netwerk-zakenbrunch, maar het prikkelde wel lekker tegendraads.

Ietwat gestroomlijnder ging het eraan toe tijdens de set van de onvermoeibare lokale ambient-componist Dirk Serries, die nieuwe muzikale horizonten opzocht in dialoog met de Britse geluidskunstenaar Graham Dunning. Hoewel deze mini-toer van het label de eerste gelegenheid is waarbij deze twee samen hun ding deden, was dat er zeker niet aan te merken. De muziek van beide heren liet zich beluisteren als een natuurlijke symbiose. Serries hanteert zijn gitaar als een lapgitaar en creëert een gladde en ijle ambient-sound met strijkstok en met diverse metalen staafjes, die hij geregeld opdiept uit zijn onafscheidbare zakje met muzikaal werkmateriaal. Dunning gebruikt geprepareerde platenspelers als instrument en produceert op ingetogen wijze een soort van gemanipuleerd gekraak, als hagelslag-ruis bovenop de langgerekte geluidsgolven-boterham van Serries. Brood en beleg voor de avontuurlijk ingestelde luisteraar.


Andrew Webster & Andrew Lisle
Als laatste trad de oprichter van het label zelf ten tonele : saxofonist Colin Webster, begeleid door drummer Andrew Lisle. En andermaal sloegen we een compleet andere weg in. Geen uitgepuurde avant garde-improv of krakende ambient, maar lekker vette in-your-face freejazz. Webster en Lisle stonden dan wel met hun gezichten naar elkaar gepositioneerd, oogcontact was er nauwelijks en dat was ook niet nodig. Webster strooide gretig - en met een verbeten intensiteit op zijn gelaat - harde noten uit zijn bijna aandoenlijke kleine sax, terwijl de blik van Lisle constant op een punt in het ijle gefixeerd leek, onderwijl een harde maar gevarieerde drum-bodem serverend. Het pleit voor avontuurlijke bezielers zoals Webster (en de artiesten op zijn label) dat ze tegen de stroom blijven inroeien. Zo'n mensen zijn het broodnodige kiezeltje in het anders veel te gladde en platte raderwerk.

15 maart 2017

Thurston Moore / Dennis Tyfus / Cameron Jamie (De Studio - 14.03.2017)

Wie had gehoopt dat Thurston Moore vanavond in kunstencentrum De Studio zijn kakelverse single "Cease Fire" en ander nieuw solo-materiaal zou brengen, was eraan voor de moeite. Het concert was aangekondigd als een éénmalige samenwerking van Moore met de Amerikaanse multi-disciplinaire kunstenaar Cameron Jamie en het Antwerpse Ultra Eczema-boegbeeld Dennis Tyfus, dus het stond in de sterren geschreven dat we een avondje taaie avant-garde tegemoet gingen.

En dat was ook precies wat geserveerd werd. Eerst mocht de Sarajevisch-Belgische Mia Prce met haar dromerige solo-synth-project Miaux de debatten openen. Uitgepuurde en onthaastende synth-kraut tegen een backdrop-animatie van duidelijke Tyfus-signatuur (geïnspireerd op de cover van haar laatste album "Hideaway").

Vervolgens een vrij vermoeiende set van het experimentele triumviraat. Tyfus deed datgene wat we hem al enkele keren zagen doen met zijn Vom Grill-project (zoals vorig jaar nog tijdens Uncanny Valley of enkele jaren geleden in het voorprogramma van Body/Head, één van de projecten van Moore's ex Kim Gordon) : het produceren van vocal blubber met enkele cassettedecks, die live tot verminkte samples verwerkt worden. Een vrij beperkt instrumentarium dat duidelijk de limiet van zijn mogelijkheden bereikten tijdens dit (te ?) lang uitgesponnen concert. Onderwijl friemelde, pingelde, streelde en liefkoosde Moore zijn gitaar, terwijl de rol van Jamie vrij onduidelijk was. Hij leek zich te beperken tot het creëren van vocale experimenten en tot het spelen met een theremin-achtig instrument.

Na een twintigtal minuten werd de verknipte geluidscollage afgebroken, blijkbaar - als we Moore mogen geloven - door een kortstondige elektrische panne. Een nieuwe vocale sample van Tyfus zwengelde kort nadien aan tot een soort van beat, voor Moore het signaal om zijn gitaar met meer schwung te lijf te gaan en echo's op te roepen aan de rauwe sound van de Sonic Death-opname van het nog prille Sonic Youth, in de vroege jaren '80 het nest van Glenn Branca verlatend en zoekend naar een eigen geluid. Maar na een tijdje nam de beat de benen en mondde de brij terug uit in de abstracte collage waarmee het concert begon.

Na een uurtje volgde nog een onverwachte bisser, waarbij Fluxus-kunstenaar Ludo Mich - sinds jaar en dag een constante in de entourage van Tyfus - een gastrolletje mocht vertolken. Als een soort van avantgarde-alverman of als een soort van aapje op een experimenteel draaiorgel, brulde en huppelde Mich wat mee. Muzikaal toegevoegde waarde compleet nihil, maar deze veterane snorremans blijft wel amusant om te observeren. "Peace and love ! Peace and love ! Peace and love !" riep Moore het ietwat beduusde publiek toe na afloop van het concert, aldus toch nog een toefje van de "Cease Fire"-boodschap meegevend.

Dergelijke experimentele concerten zijn natuurlijk nooit een luchtige easy listening-ervaring. Meestal geef ik dit soort van concerten het voordeel van de twijfel en kan ik ervan genieten met een "het glas is halfvol"-mentaliteit. Maar doordat dit concert plaatsvond nadat ik de avond voordien het verbluffende concert van James Brandon Lewis mocht meemaken, was het al bij al een eerder magere "het glas is halfleeg"-bedoening. Natuurlijk blijft Moore nog altijd één van mijn helden en een briljante songschrijver, zoals hij op zijn solo-albums blijft demonstreren. Maar wanneer het op experimentele muziek aankomt, blijft zijn voormalige SY-collega Lee Ranaldo toch meestal zijn meerdere.

14 maart 2017

James Brandon Lewis Trio (De Singer - 13.03.2017)

Wat de jonge saxofonist James Brandon Lewis (°1983) met zijn trio vanavond uit zijn tenorsax schudde in De Singer, valt moeilijk in woorden te bevatten. Eigenlijk zou deze korte review niet meer kunnen/mogen zijn dan een willekeurige opsomming van allerlei superlatieven. Raar of zelden ben ik immers zo overdonderd geweest door een concert.

Samen met bassist Luke Stewart en drummer Warren Trae Crudup III bracht Brandon Lewis vanavond een weergaloze trip, vooral opgebouwde rond materiaal uit het recente "No Filter"-album (2016), een album waar ik de laatste weken compleet verslingerd aan ben geraakt. Gedurende anderhalf uur speelde het trio vlijmscherp en loeihard (want elektrisch versterkt), nét aan de goede kant van de pijngrens. De keiharde aanslagen van Crudup op zijn snare-drum deden me een beetje denken aan het spervuur van drummer Buddy Miles tijdens "Machine gun", het geweldige nummer dat het gelegenheidstrio Band of Gypsys (met naast Buddy Miles ook nog Jimi Hendrix en Billy Cox) op 1 januari 1970 speelde tijdens hun legendarisch concert. Het drumwerk van Crudup voorzag het concert van een enorm energieke drive en een meedogenloos ritme.

Het spel van Stewart op zijn elektrische basgitaar sloot hier perfect op aan. Avontuurlijke bas-loops die je op zich als een masterclass zou kunnen beluisteren, als je sax & drums zou wegfilteren. De nauw benepen ruimte tussen de noten van de tenorsax van Lewis werd naadloos opgevuld door de ene boeiende riff na de andere, waarbij de hoge noten niet werden geschuwd. De elektrische versterking van de basgitaar flirtte constant bewust met een bijna hypnotiserende galm, die zich genadeloos in mijn buis van Eustachius nestelde.

En dan natuurlijk de bandleider zelf. Alleen al diens lichaamstaal was expressief en straalde een soort van intellectuele superioriteit en bijna fanatieke verbetenheid uit. En dat toonde zich in zijn concert, waarin geen ruimte was voor adempauzes, solo's en open doekjes. Gewoon keihard blijven gaan in constante dialoog met zijn twee kompanen, af en toe de wegglijdende bril terug op de neus duwend. Het resultaat van deze compromisloze improvisatie-kopstoot kan ik alleen als 'spiritueel' ervaren. Dit moet het geweest zijn wanneer je John Coltrane in zijn laatste levensjaren - waarin hij constant zijn grenzen trachtte te verleggen - live kon bewonderen tijdens pakweg de opnames voor het "Live in Japan"-album. Niet dat Lewis zich vanavond bediende van de karakteristieke overblowing-techniek van Coltrane : de stijl van Lewis was veel meer to the point en soms zelfs bijna liefkozend, wanneer hij zijn aparte zuig-achtige techniek demonstreerde (het ontbreekt me aan een meer accurate omschrijving). Maar de drive, de energie, de rusteloos voortdenderende stroom aan akkoorden : dit is een man met een missie, een missionaris die jazz-ongelovigen te vuur en te zwaard bestrijdt.

Tijdens het concert van vanavond werd ik af en toe zelfs bijna tot tranen toe bewogen. Zo perfect was de schoonheid in het volume en in de verplettering. Tijdens het afsluitende en ingetogen nummer "Bittersweet" en nog een mantra-achtige solo-bisser kon het publiek terug een beetje op adem komen en ontwaken uit deze transcendentale trip. Ik wik mijn woorden nauwkeurig wanneer ik zeg dat dit niet alleen één van de beste jazz-concerten was dat ik ooit zag, maar zelfs één van de beste concerten tout court.

10 maart 2017

Domestica (De Warande Kuub - 09.03.2017)
















De van Rinus Michels bekende uitspraak "voetbal is oorlog" zou je gerust kunnen doortrekken naar liefde en relaties. Want ook op dat front is er helaas vaak sprake van verbaal of fysisch geweld, van elkaar de duvel aandoen, van onderlinge verwijten, van onbegrip, van een neerwaartse spiraal. Iets wat ook acteur en theatermaker Valentijn Dhaenens mocht ondervinden toen hij als kind vaak kletterende ruzies van zijn ouders moest doorstaan tijdens hun pijnlijk (v)echtscheidingsproces. Rond het eeuwenoude en universele thema van ruziënde koppels maakte hij de voorstelling "Domestica" in een productie van de KVS. Hij hanteert hierbij het collage-procédé dat hij reeds met veel succes toepaste in DeKleineOorlog en in de gelauwerde krachttoer DegrotemonD.

Op de bühne : een houten trap die nergens naartoe leidt (tenzij naar een afgrond). Op de trap : een meisje dat gedurende quasi gans de voorstelling met haar rug naar het publiek zit en af toe op haar synthesizer speelt (ook Dhaenens zat als kind vaak op de trap naar de ruzies van zijn ouders te luisteren). Een zetel die symbolisch in twee stukken gezaagd is. En natuurlijk het ruziënde koppel : Dhaenens en zijn tegenspeelster Alejandra Theus. Tijdens de voorstelling zappen ze vlotjes door het repertoire van bekende en minder bekende ruziënde koppels : Medea en Jason uit Medea van Euripides, Michael Corleone en Kay in The Godfather part II, Al en Peggy Bundy uit Married with Children, JR Ewing en Sue-Ellen uit Dallas, Gringo en Ciska uit Temptation Island, Brick en Maggie uit Cat on a Hot Tin Roof, Marianne en Johan uit Scenes from a Marriage (Ingmar Bergman), Jeanne en George uit Vrijdag (Hugo Claus). En natuurlijk hét ruziënde koppel uit dé ultieme ruzie-film : Martha (Elizabeth Taylor) en George (Richard Burton) in Who's afraid of Virginia Woolf ? (Mike Nichols). De onderwerpen van de ruzies zijn universeel (en ongetwijfeld voor sommige mensen in de zaal herkenbaar) : de opvoeding van de kinderen, bedrog, nalatigheid, een tanend seks-leven, geld, onbegrip, onverenigbare carrières, drank-misbruik door één van de partners, ....

















Het gaat er uiteraard verbaal zeer pittig aan toe tijdens deze plejade aan ruzies, maar ook fysische interactie werd niet geschuwd. Een pijnlijke en vrij lang uitgesponnen vrij-scène op de houten trap doet het publiek wat ongemakkelijk heen een weer schuifelen op hun stoelen. Maar tussen de harde ruzies door volgt af een toe een catharsis, waarbij Dhaenens en Theus zowaar ingetogen (en opvallend toonvast) aan het zingen slaan op de noten van het piano-spelende meisje (en waarbij we o.a. Grease de revue hoorden passeren). Stellen dat Dhaenens een uitstekend acteur is, is een open ruit inslaan. Hij bevestigde vanavond nogmaals zijn enorme charisma & talent en fladderde zonder enige moeite door een resem verschillende acteer-stijlen en dialecten. Het is niet evident om je als tegenspeelster staande te houden tegenover Dhaenens, maar Theus zette een zeer krachtige prestatie neer. Ook zij wisselde moeiteloos tussen verschillende dialecten en bleef netjes overeind op het slappe koord van de karikatuur. Een pittige tante die zich letterlijk en figuurlijk bloot gaf. Van geil & zat wijf, tot koel & berekenend serpent, naar slachtoffer van (seksueel) geweld en bedrog : altijd was haar interpretatie raak.

















Over de keuze van sommige 'ruzies' kun je discussiëren. Al & Peggy en JR & Sue-Ellen hadden voor mij niet gehoeven. Deze scènes helden een tikje te ver over naar goedkoop effect-bejag. En zo'n collage-voorstelling (bij een gebrek aan een beter woord) heeft natuurlijk als resultaat dat het op den duur een beetje op een quiz gaat lijken : zoveel mogelijk ruziënde koppels proberen te raden. En terwijl je in je geheugen aan het graven bent om de ruzie van het moment in het juiste vakje te plaatsen, gaat ondertussen de kracht van de tekst an sich een tikje verloren. Maar dat is detail-kritiek. Ik genoot ten volle van het krachtige spel van twee mooie en uiterst getalenteerde acteurs. En besloot en passant dat single zijn toch ook z'n voordelen kan hebben.

05 maart 2017

Kraak-festival (Beursschouwburg Brussel - 04.03.2017)

Op deze twintigste editie van het Kraak-festival (feest !) werd als vanouds een blik alternatieve podiumkunsten opengetrokken, die de toeschouwer deed verwonderen, de tenen deed krullen, deed nadenken, op de zenuwen werkte, prikkelde en vermaakte. Zich onderdompelen in kunst is altijd een beetje werken en dat was vandaag niet anders.

De Argentijnse geluidskunstenares Beatriz Ferreyra dompelde het publiek onder in haar bezwerende geluidscollages, doorspekt met verknipte vocalen en kleine flarden tango. Haar instrument : de schuiven van het mengpaneel, het licht waarvan de enige verlichting vormde in de voor het overige pikdonkere ruimte. Eén van de betere acts van de dag was de voorlees-sessie van Brusselaar Henry Andersen. Een jongedame en Andersen lazen synchroon en in een vast & hypnotiserend ritme een lange reeks woorden voor, die qua klankkleur associatief met elkaar verbonden waren, af en toe begeleid door achtergrond-ruis uit de luidsprekers. Hieronder een uittreksel uit de Kraak-release van dit project :




Henry Andersen
De uitgepuurde songs (gebracht op gitaar, piano of melodica) van Annelies Monseré bevestigden het cliché dat schrijven gelijk staat aan schrappen. Nummers uitgekleed tot het naakte bot, met de ijle stem van Monseré als emotioneel ijkpunt. De Zweedse kunstenaar Johannes Bergmark liet een heel ander geluid horen, namelijk dat van zijn ingewanden. Een ingeslikt microfoontje toverde zijn hartslag om tot een ruimte-vullende beat, terwijl we ineens ook mochten horen hoe het in je maag klinkt wanneer je chips vreet en er vervolgens wat cola op giet. Op het einde van zijn performance trok hij de microfoon weer uit zijn maag.

En nu we het toch over voedsel hebben : bij het abstracte kunst-theater van het Gentse duo Festoen speelden een paar broden een belangrijke rol. De twee dames waren gekleed in regenjassen en hadden hun gelaat volledig bedekt met een afgevlakt brood. Ik gok op een boeren-grof en een galet. Roerloos zaten ze achter een tafel, begeleid door noise die associaties aan aanrollende golven opriep. Heel af en toe werd er plots bewogen en keken de 'broden' elkaar aan, om vervolgens weer weg te kijken. Afhangende van de instelling van de toeschouwer was deze performance een scheet in een fles, kak in een doos ... of een interessante allegorie op toenemend isolement en op de onmogelijkheid tot diepgaande communicatie.

Na de pauze ging de verkleedpartij vrolijk verder in de set van Moleglove, drie Duitsers die grossieren in uiterst abstracte electronica - aangevuld met analoge geluiden die uit diverse speeltjes werden gehaald - en wiens hoofden volledig gehuld waren in aan elkaar genaaide blonde pruiken. Een boeiende set die echter met de lengte van één uur wel het uiterste vergde van het publiek. Na zo'n vermoeiend uur klonk de smerige trash-metal van het Finse Pymathon zowaar als een verfrissende douche voor de ziel. Het rammelde dat het een lieve deugd had, maar de eerste (!) drums en de eerste (!) elektrische gitaar van de dag waren welgekomen.


Frank Hurricane
Het absolute hoogtepunt van de dag was ongetwijfeld het concert van de Amerikaan Frank Hurricane, de zelfverklaarde maker van 'spiritual mountain psychedelic gangsta folk'. Deze meesterlijke verhalenverteller bracht de meest hilarische bindteksten (of beter gezegd : verhalen) ten berde die ik ooit in mijn leven hoorde en die in feite een stuk langer duurden dan zijn songs. Het woord 'holy' was ongetwijfeld het meest gebruikte adjectief van de dag. En de uitdrukking 'off da chain' werd veelvuldig gebruikt om aan te geven wanneer iets maf of krankzinnig was. Die verhalen ! Hoe 'Extra Cornbread Steve' aan zijn bijnaam kwam. Hoe hij na een geïmproviseerd concertje bij een stel moonshiners terecht kwam bij een biker-festival en daar whisky trachtte op te slurpen die werd uitgegoten op corpulente lijven terwijl ondertussen een hevige storm woedde. Hoe hij zijn gevoeg wilde doen en plots in zijn ooghoek merkte hoe iemand achter hem nog met een holy turd graffiti aan het tekenen was. En telkens spelen holy mountains of weed of een holy sheet of lsd wel één of andere rol. Na het concert glipten we backstage mee en kochten enkele LP's van deze kanjer, die ons vergastte op een kamerbrede glimlach en op een zweterige maar aandoenlijk oprechte knuffel. Wat een held !

De vinnige no wave van het Franse trio Zad Kokar slaagde erin om ons te transporteren van de oevers van de holy rivers waar Hurricane vaak vertoeft naar de artistieke underground van Straatsburg. En daar hoorden - hoe kan het anders - vrij geschifte en dadaïstische kostuums bij. Dat techno veel meer kan zijn dan een soundtrack in het leven van Temptation Island-deelnemers en andere gebruinde nitwits, bleek uit het concert van Inhalants. Deze twee Amerikanen (Matt Morandi en Max Ravitz) brachten een boeiende gelaagdheid aan tijdens hun knoppen-gefrutsel, iets waar ook afsluiter en Antwerpse electro-componist Hiele wonderwel in slaagde. Daar waar de namiddag-programmatie vooral in het teken stond van somtijds moeilijk te verteren performance-art, trok de avond-programmatie ons alsnog wederom over de streep. Off da chain !

02 maart 2017

McPhee/Corsano/Kessler/Amado & Cement Shoes (De Singer - 01.03.2017)

De mensen van Oorstof haalden vanavond een fijne line-up naar De Singer. De Portugese saxofonist Rodrigo Amado is niet alleen muzikant maar ook een begenadigd fotograaf. Naar aanleiding van een tentoonstelling in 2012 van zijn Un Certain Malaise-project organiseerde hij een paar concerten. Voor één van die concerten deelde hij het podium met collega-blazer Joe McPhee, drummer Chris Corsano en contra-bassist Kent Kessler. Het bleef niet bij dit éénmalige gelegenheidsconcert. In 2015 bracht het kwartet het album "This Is Our Language" uit (waarvan de titel refereert naar het album "This Is Our Music" van Ornette Coleman). Een beetje muziekliefhebber kan dan wel vermoeden welke richting de muziek van dit kwartet uitgaat : een stevige portie freejazz.

En dat was dan ook wat vanavond op het menu stond. Door hun talloze samenwerkingsverbanden met allerlei andere muzikanten, is dit viertal gepokt & gemazeld in improvisatorisch opgebouwde concerten, voldoende om niet te verzanden in een clichématige en beukende freejazz-noten-uppercut en egoïstisch solo-werk. Er zat dus meer dan voldoende variatie in het concert van vanavond en het was er nauwelijks aan te merken dat dit kwartet in deze samenstelling in de laatste jaren nauwelijks heeft samengespeeld. Het was vooral Amado die met zijn tenorsax teruggreep naar de venijnige freejazz van de grote dagen, aangevuld met de scherpe maar eerder ingehouden sound van de sopraansax van McPhee (die zich af en toe ook van een pockettrompet en een witte trompet bediende). Kessler - die zijn contrabas veelal met de strijkstok te lijf ging - zorgde voor de nodige body, maar de subtiliteit van zijn spel viel af en toe wel helaas een beetje tussen de plooien, temidden van het gedoseerde geweld van McPhee en Amado. En dan is er natuurlijk Corsano : deze waanzinnig getalenteerde drummer tilt het begrip 'percussie' naar een hoger niveau en etaleert niet alleen een technisch meesterschap maar ook een subtiele beheersing van zijn drumvellen, zodat hij zelfs op rustige momenten fijne toetsen aanbrengt.


Eerder op de avond mocht het trio Cement Shoes de debatten openen, een gloednieuw trio rond de Italiaanse en thans in Brussel wonende toetsenist en bezige bij Giovanni Di Domenico. Samen met de Hongaarse drummer Balázs Pándi en de Franse bassist Gonçalo Almeida bracht Di Domenico een project op de planken dat duidelijk nog in een embryonale fase verkeert. Het drumwerk van Pándi kwam vrij apathisch en steriel over en de scherpe noten-waterval van de elektrische piano van Di Domenico mistte wat cohesie. Ik was wel gecharmeerd door het spel van Almeida, die het half uurtje voorzag van een boeiende onderstroom.

25 februari 2017

Akalé Wubé & Black Flower (Warande Kuub - 24.02.2017)

Een interessante double-bill vanavond in De Warande : twee bands die geïnspireerd zijn door de zogenaamde Ethio-Jazz, een unieke mix van traditionele Ethiopische muziek met swingende jazz- en latina-ritmes. Het genre kende zijn hoogdagen van eind jaren '50 tot begin jaren '70 in de clubs van het toen bruisende Addis Abeba. In de jaren '90 kende het genre een revival en werden namen zoals Mulatu Astatke (vaak omschreven als 'the father of Ethiopan jazz') en Getatchew Mekuria ook in het Westen bekend. De Fransman Francis Falceto nam de taak op zich om zoveel mogelijk van deze muziek op plaat te zetten en de indrukwekkende reeks Ethiopiques (ondertussen al 30 CD's !) was geboren. En toen in 2005 regisseur Jim Jarmush de muziek van Mulatu Astatke gebruikte voor de soundtrack van zijn film 'Broken Flowers', werd het genre zowaar hip. En terecht ! Het publiek was vanavond helaas verre van dik gezaaid, maar zoals het cliché luidt : de afwezigen hadden verdraaid ongelijk.


De Parijse band Akalé Wubé - een achttal jaren actief en drie LP's op hun conto - kreeg de eer om als begeleidingsband te fungeren voor één van de grote namen uit de gouden periode van de Ethio-Jazz (Girma Bèyènè) tijdens de opname van de 30ste Ethiopiques-plaat. Hun set vanavond bestond uit een afwisseling van enerzijds eerder traditionele Ethiopische muziek (waarbij gebruik werd gemaakt van een mij compleet onbekend snaarinstrument) en anderzijds een op Westerse leest geschoeide versie van Ethio-Jazz. Blazers op een bedje van swingende ritmes, aangedreven door een lekker pingelende elektrische gitaar waarbij het gebruik van het wah wah-pedaal niet werd geschuwd en waarbij af en toe zelfs lichtjes psychedelisch uit de bocht werd gegaan. Het hoogtepunt van hun set was ongetwijfeld 'Bazay', verschenen op het album 'Mata' (2012) en oorspronkelijk een compositie van de Eritrese zangeres Tsèhaytu Bèraki. Het nummer werd aangekondigd als een traditioneel bruiloftsnummer uit Eritrea, trok zich lekker op gang met bedwelmende en opzwepende ritmes, maakte halfweg qua ritme compleet slagzij om uit te monden in een fantastische psychedelische trip, (voortgestuwd door een repetitieve bas-loop) en klokte af op een 9-tal minuten. De kans dat ik ooit huw, is vrij klein. Maar moest het er alsnog van komen, dan mag de band - opnieuw getooid in hun bizar samenraapsel van foute plastrons - dit nummer gerust op mijn bruiloftsfeest komen spelen.


Ook de Belgische band Black Flower gebruikt de bouwstenen van Ethio-Jazz in hun muziek, maar trekt het register open en maakt er een soort van mondiale stoofpot van. De swingende groove van Addis Abeba, de op het middenrif mikkende baslijnen van de Jamaicaanse dub, de fluit-arrangementen die de sfeer van Arabische soeks oproepen, ... En of dit stoofpotje vanavond sudderde ! Aangevoerd door componist / fluitist / saxofonist Nathan Daems (die me zowel qua uiterlijk als qua lichaamstaal aan een ondervoede versie van Sam Vloemans deed denken) kregen we vanavond een concert geserveerd, waar een mens automatische blij-gezind van wordt. Een ideaal medicijn tegen zuurheid en mentale constipatie. Of het nu de dub-ritmes waren van bassist Filip Vandebril, de rare keyboard-effecten van Wouter Haest (gekoppeld aan een intrigerend DIY-versterker-achtig-iets), of het zeer indrukwekkende slagwerk van drummer Simon Segers (ook actief bij De Beren Gieren) : qua ritme was het altijd raak. Daarbovenop zorgden een heel scala aan blaasinstrumenten, bespeeld door Daems en door de Texaanse kornettist Jon Birdsong, voor de oriëntaalse toets. Deze laatste bediende zich tijdens één van de nummers trouwens van een assortiment zeeschelpen als blaasinstrumenten. Tijdens het laatste nummer van de reguliere set vervoegden de heren van Akalé Wubé het podium, om er een lekker amicale jam-sessie van te maken. De enige bisser ("Lunar Eclipse", verschenen op het recente album "Artifacts") werd ingeleid door een eenvoudig maar hypnotiserend arrangement voor drie fluit-instrumenten en groeide uit tot een bijna 20 minuten durende staalkaart van wat deze boeiende band te bieden heeft (met halfweg een hoofdrol voor de geweldige drummer Simon Segers). Twijfel niet indien deze band in Uw beurt optreedt !