09 december 2008

All Tomorrow's Parties (Butlins Minehead, UK - 05.12.2008-07.12.2008)



Net zoals bij ons vorig bezoek aan het All Tomorrow's Parties Festival was de plaats van gebeuren opnieuw het Butlins Minehead Holiday Camp Resort. Onderweg naar dit kuststadje in het Zuid-Westen van Engeland wederom gepasseerd bij het prehistorische stukje werelderfgoed Stonehenge. Nog een weerkerend element : een olympisch ontbijt bij Little Chef. Vervolgens inchecken in onze bungalow en hopla, klaar voor drie dagen vol fantastische muziek, op de been gehouden door een stringent dieet van Burger King, schuimloze Carlsberg en het allengs steeds verleidelijker wordende Guinness.

Op het ATP-televisiekanaal viel er weer heel wat smaakvolle stuff te bekijken. Dat bleek al toen we onze bungalow betraden, de TV aanzetten en - nog voordat er beeld te zien was - het geluid hoorden van openschuivende deuren in een ruimteschip. Jawel, ook enkele klassieke Star Trek-afleveringen behoorden tot het keuzepakket van de ATP-curatoren. Waren ook geprogrammeerd : bijna alle films waarvan de soundtrack door Fantômas door de mangel was gehaald op hun fantastische plaat The Director's Cut uit 2001 (waarover later meer). Bovendien waren de films geprogrammeerd in dezelfde volgorde als de LP : The Godfather (Francis Ford Coppola - 1972), Der Golem (Paul Wegener - 1920), Experiment in Terror (Blake Edwards - 1962), Night of the Hunter (Charles Laughton - 1955), Cape Fear (J. Lee Thompson - 1962), Rosemary's Baby (Roman Polansky - 1968), The devil rides out (Terence Fisher - 1968), Spider baby (Jack Hill - 1968), The omen (Richard Donner - 1976), Henry : portrait of a serial killer (John McNaughton - 1986), Investigation of a citizen above suspicion (Elio Petri - 1970), Twin Peaks : fire walk with me (David Lynch - 1992) en Charade (Stanley Donen - 1963). Van enkele van deze films konden we stukken meepikken. Ook trouwens van enkele afleveringen van The Simpsons, The Jetsons en Bottom, alsmede van de films The man who would be king (John Huston - 1975), de zalige cultfilm Planet of the vampires (Mario Bava - 1965), The 10th victim (Elio Petri - 1965) en The incredible Mr. Limpet (Arthur Lubin - 1965). Maar we deden natuurlijk heel wat meer dan met onze luie krent op ons bed liggen en naar TV gapen. Een chronologisch overzicht van mijn muzikaal parcours.



DAG 1

De groep die als allerlaatste aan de line-up was toegevoegd, mocht meteen de debatten openen : The Melvins "versie 1983". Met Dale Crover op basgitaar, King Buzzo op gitaar en de oorspronkelijke drummer Mike Dillard achter de vellen werd teruggegrepen naar de prille beginjaren van de band, toen de zware sludge-sound nog niet aan de orde was maar het oeuvre vooral bestond uit snellere hardcore/punk. Hoewel dit korte concert zeker niet memorabel was, was het toch leuk om dit éénmalige gegeven aan het werk te zien : de embryonale fase van een band die ondertussen al een kwart eeuw op de planken staat. Voor Crover meteen een goede opwarmer, want de man zou de volgende dagen bij een zevental (!) optredens mogen opdraven.

Voor een eerste hoogtepunt werd gezorgd door het energieke duo Tweak Bird uit Los Angeles. Tweekoppige bands die zich bedienen van drums en gitaar lijken er tegenwoordig massa's te bestaan, maar zelden zag ik zo'n duo een vergelijkbare energie aan de dag leggen als gitarist Caleb Bird en diens drummende broer Ashton. Deze laatste werpt zijn hele gewicht in de schaal bij elke slag op de vellen terwijl Caleb - een magere en bleke schlemiel met infantiel snorretje - scherpe en loeiharde fuzz uit zijn gitaar tovert. Enkele maanden geleden werd hun eerste EP Reservations boven de doopvont gehouden in een productie van o.a. Dale Crover. Gasten van The Melvins dus, en volkomen terecht.

Nog snel even aangelopen bij het einde van de set van Big Business, het kleine halfbroertje van The Melvins, vermits beide bands het lidmaatschap gemeen hebben van bassist Jared Warren en het kleine maar sympathieke drummerke Coady Willis. Inbreed alom van 't jaar op ATP. Voor de gelegenheid werd het duo vandaag op gitaar vervoegd door wie anders dan de altijd parate Dale Crover omdat het derde bandlid Toshi Kasai verstek moest laten gaan. Een nauwelijks meer dan verdienstelijk optreden dat nog maar eens de status van Big Business bevestigde als klein duimpje t.o.v. grote broer King Buzzo & Co.

In Detroit maken ze verdomd goede garagerock. Dat werd ten overvloede bewezen met het concert van The Dirtbombs. In de persoon van Mick Collins - die de band in 1992 oprichtte als zijproject van The Gories - trad er een enorm massieve frontman/gitarist op het podium, bijgestaan door niet minder dan twee drummers en twee basgitaristen. Die twee drummers vormden niet echt een meerwaarde en deden niets wat ook niet door één uitstekende drummer geklaard had kunnen worden, maar de rockvibe zat er boenk op. Zo moet rock gespeeld worden : snel, vinnig en scherp. Geen onderbrekingen maar de songs er met een rotvaart doorjagen. Een uitstekend concert in het kielzog van de recente release van hun vierde album We have you surrounded.

Het moet al van 2005 geleden zijn dat ik The Locust hun geschifte ding zag doen, toen op het State X New Forms-festival. Sedertdien is er een nieuwe LP verschenen (New Erections, 2007) maar de formule blijft dezelfde : vier heren in strakke nylonpakjes gehuld (mét masker) die compleet van de pot gerukte speedgrindmetalcore brengen, of iets in die trant. De evolutie die deze band heeft doorgemaakt, is fenomenaal. Waar is de tijd toen ik dit viertal aan het werk zag in de Deurnese jeugdclub Sorm ? Het moet in de absolute beginjaren van de band geweest zijn, zo rond 1995. Het was een stelletje nozems en aanstellers, met nichterige kapsels en dito kapsones. Anno 2008 is het een superefficiënte noise-machine, met drummer Gabe Serbian in een waanzinnige hoofdrol : zijn stops en breaks en zijn ultra-snelle roffels grenzen aan het ongelofelijke. Eén van de zangers was niet al te best bij stem (ik denk dat het gitarist Bobby Bray was), maar dat was slechts een kleine smet op een tyfoon die gedurende een dik half uurtje door het Centre Stage raasde. Vlak voor onze neuzen stonden Mastodon-leden Brent Hinds (in een aandoenlijk verliefde entente verwikkeld) en Brann Dailor toe te kijken, iets wat ze trouwens tijdens meerdere concerten zouden doen.

Ook tijdens het volgende concert viel er weinig te lachen, vermits het de beurt was aan de postrockgoden van Isis. Met deze band weet je perfect waar je aan toe bent : rustige klanktapijten afgewisseld met verwoestende explosies. Sceptici verwijten de band (en het genre) wel eens dat het niet meer is dan een afwisseling van luid/zacht/luid, maar ik durf te beweren dat Aaron Turner en de zijnen veel meer te bieden hebben dan dat. Al wie ooit aandachtig geluisterd heeft naar Oceanic, Panopticon en In the absence of truth kan dat beamen. Vermits ik Isis al meermaals heb zien optreden, vielen er voor mij nog weinig verrassingen te rapen, maar ik kan wel begrijpen dat WO - die de groep nooit eerder zag - het concert omschreef als één van de meest vermoeiende die hij ooit zag. Isis is inderdaad een groep die een serieuze inspanning vergt, maar die inspanning wordt steevast beloond. Frontman Turner blijft een zalig figuur om te observeren en was ditmaal getooid met een opvallende bos zwartgeverfd haar.

Van de Britse electropioniers van White Noise verwachtte ik zeer veel, maar ik kwam van een zeer kale reis thuis. Oprichter David Vorhaus - voorzien van zijn unieke, zelfgebouwde digitale basinstrument - en compagnon Mark Jenkins bakten er weinig van achter de knoppen en ook de muzikale bijdragen van Delia Derbyshire voegden weinig toe aan het geheel. Het werd zelfs zeer genant toen na de zoveelste onderbreking Vorhaus gefrustreerd uitriep : "Keep those fucking lights steady 'cause I can't see what the fuck I'm doing !". Jammer, want in betere omstandigheden en met een wat betere voorbereiding had dit een fantastisch concert kunnen worden. Ondertussen viel er ook in de grote zaal weinig muzikaal vertier te beleven want behalve met één geweldig psychedelisch rocknummer wisten de mannen van Meat Puppets hun status van invloedrijke rockers nauwelijks waar te maken.

De nacht was ondertussen neergedaald over het anders o zo rustige kuststadje in West-Engeland. Het perfecte tijdstip voor een climax waar ik nog steeds niet goed van ben : Porn. Oprichter Tim Moss - een man met een lange baard en met steevast een vissershoedje op zijn knikker - neemt plaats achter een knoppenbak die hij gebruikt om zijn gitaarloops mee te manipuleren. Wanneer de noise een hoogtepunt bereikt, wordt hij vervoegd door een illuster team : Trevor Dunn op basgitaar, Coady Willis én Dale Crover op de twee drumstellen en als kers op de taart Thurston Moore die een basgitaar crimineel zwaar mishandelt. Deze heren scheppen een geïmproviseerde noise-orgie van heb-ik-me-jou-daar. De keihard beukende geluidsgolven flirten met de pijngrens en telkens wanneer het erop lijkt alsof de storm eindelijk gaat liggen, wordt deze weer aangezwengeld door één van de bandleden. In de coulissen kijkt Mastodon-gitarist Brent Hinds geanimeerd toe en na een tijdje kan hij het niet meer aanzien : hij smeekt Tim Moss om diens gitaar even te mogen overnemen en duikt zo mee in de waanzin. Enkel op ATP zie je zoiets : kunst die ter plaatse geschapen wordt door leden van Mastodon, Fantômas, Sonic Youth en Melvins. Lichtjes beduusd onze chalet opgezocht aan Beacon Drive nr. 2.




DAG 2

De volgende dag werd voornamelijk doorgebracht in de grote Centre Stage, waar verdomd veel lekkers te bekijken viel. Toch werd de muzikale dag geopend door in de Reds-zaal de eerste drie nummers mee te pikken van het geweldige Bohren und der Club of Gore. Een bevestiging van wat ik sedert hun AB-concert al wist : een schitterende band. Maar hoe is het in godsnaam mogelijk dat enkele nitwits zo'n intiem concert kunnen verknallen door uitgerekend dan een spelletje airhockey te spelen ?

Dan maar naar de grote zaal getogen voor een a-typische act : de uit Arizona afkomstige country-ster Junior Brown. Net zoals zijn twee companen (drummer & bassist) in een net pak gehesen en met een grote stetson-hoed op zijn hoofd, bespeelt hij een zelf uitgevonden instrument dat hij de naam "guit-steel" heeft gegeven. Het is een instrument met dubbele nek, wat hem toestaat om naadloos heen en weer te laveren tussen electrische gitaar en lapsteel. Na jarenlang talloze honky tonks en bars afgeschuimd te hebben, begon dit in de jaren '90 zijn vruchten af te werpen met een heuse cultstatus en een stek op de ATP-affiche tot gevolg. De man is een ware virtuoos en schudt een aantal leuke songs uit zijn guit-steel, zoals bijvoorbeeld het onweerstaanbare "you're wanted by the police but my wife thinks you're dead".

Na de dag aldus geopend te hebben met intieme slowcore-jazz en met lekker lopende country, werd het tijd voor het zwaardere werk. Vooreerst met de gelauwerde metalrockers van Mastodon. Jammer genoeg moest gitarist Bill Keliher afzeggen wegens ziekte en dat deed zich gevoelen in de sound van de groep. Brent Hinds - die voor de gelegenheid zijn houthakkershemd van daags voordien even inruilde voor een t-shirt - trachtte het gemis op te vangen door extra licks en riffs, maar kon toch niet verbergen dat het geluid minder vol en bombastisch klonk dan gewoonlijk. Het enthousiasme en het oerdegelijke materiaal maakten echter veel goed. Bassist/zanger Troy Sanders is een act op zich : met een kapsel dat heen en weer wuift zoals dat van de Muppet-drummer Animal struint hij over het podium als een vleesgeworden demon. Desalniettemin een sympathieke peer. Er werden uitsluitend nummers gespeeld uit de reeds verschenen albums en er werd dus geen tipje gelicht van de nieuwe plaat (Crack the skye) die volgend jaar zou verschijnen. Wel werd - met behulp van een bevriende Ierse gitarist - besloten met een cover van het schitterende Emerald van Thin Lizzy. Een keuze die van een uitmuntende smaak getuigt.

Het werd al laat in de namiddag en een lichte paniek maakte zich van ons meester : nog steeds geen Dale Crover aan het werk gezien ! Dat euvel werd alras rechtgezet met het opdraven van één van de curatoren van het festival : de onvolprezen Melvins. Met de enige echte King Buzzo aan het roer, geruggesteund door het drummersduo Crover & Willis en basgitarist Jared Warren (getooid met blonde pruik) werd een concert neergeplant dat perfect aan de verwachtingen voldeed : de lekker volle en zware sludge-sound die zó kenschetsend is voor de band. Opvallend weinig songs uit het klassieke album Houdini, maar dat deerde niet. Al even opvallend was de keuze voor het slotnummer : een door Buzzo en Warren a capella gezongen versie van de Star-Spangled Banner. Of dit al dan niet ironisch op te vatten was, was niet meteen duidelijk. Warren hield alleszins zijn blonde pruik in volle ernst voor de borst, alsof hij uit eerbied een hoofddeksel afnam voor het Amerikaanse volkslied.

Vervolgens keek ik lichtjes bevreesd uit naar het concert van The Butthole Surfers. Oprichter Gibby Haynes is niet minder dan geniaal. Dat mag blijken uit o.a. de platen Hairway to Steven (1988), Independent worm saloon (1993) en vooral het verbluffende Locust Abortion Technician (1987), in mijn ogen nog altijd één van de meest briljante platen van de afgelopen 25 jaar. Maar hoe 'n genie Haynes ook is, op een podium wil hij nogal eens wispelturig uit de hoek komen, niet in het minst omdat de man met een zwaar drankprobleem worstelt en zich meestal stomdronken doorheen een concert moet worstelen. Hiervan was ik ooit al eens lang geleden getuige op Pukkelpop editie 1993. Toen verscheen Haynes in de vroege namiddag straalbezopen op het pukkelpodium, met bloot bovenlijf en vette bierpens, nauwelijks tot iets fatsoenlijks in staat. Ook op het ATP-podium had Haynes last van een nimmer aflatende dorst en fladderde hij soms doelloos heen en weer. Zijn bandgenoten - voor de gelegenheid de originele line-up uit de beginperiode van de band - zijn het ongetwijfeld gewoon om te trachten het zaakje recht te houden. Het concert was zoals de Buttholes zelf zijn : gestoord, krankzinnig, wispelturig, af en toe briljant en af en toe genant. Op de grote schermen aan weerszijden van het podium werd een aflevering van de klassieke TV-serie Charlie's Angels getoond (weliswaar achterstevoren). Hoogtepunt van het concert : Human Cannonball uit Locust Abortion Technician.

Eén van de meest geanticipeerde concerten van het ganse ATP-weekend stond op het punt aan te vangen en dat was te merken aan de hoeveelheid mensen die in de Centre Stage toestroomden én aan de electriciteit die duidelijk in de lucht hing. Mede-curator Mike Patton zette de zaal in vuur en vlam door op zijn blaasorgeltje de tune van The Godfather te brengen. Het begin van Fantômas performs "Director's Cut", hun onbetwistbare meesterwerk uit 2001. Jammer genoeg niet met Dave Lombardo achter de drums, maar er is nog altijd ouwe getrouwe Dale Crover om dan de honneurs waar te nemen. Hij deed dat trouwens uitstekend. Het was leuk om te zien hoe Crover geregisseerd werd door generaal Patton, die met strenge hand zijn supergroep controleert. Patton is een fenomenale heerser die tijdens gans dit concert met het goddelijke flirtte. Opvallende interventie halverwege het concert toen Patton plots "Take me out to the ballgame" inzette, het officieuze baseball-anthem. Een impressie van het laatste nummer ("Charade") zie je op dit youtube-filmpje. Zonder enige twijfel het meest indrukwekkende concert van het weekend.

Er viel zelfs een stukje standup-comedy te proeven tijdens deze ATP in de persoon van Neil Hamburger, het komische alter-ego van de uit San Francisco afkomstige Gregg Turkington. Het Hamburger-personage gaat gekleed in een ietwat gedateert kostuum, heeft vettige haren op het voorhoofd gekleefd, draagt een oversized bril en rochelt gedurende de ganse set. Zijn moppentrommel bevat opzettelijk zwakke of schokkende grappen die deels gericht zijn op politiek incorrecte doelgroepen en deels op celebrities. Met dit soort van humor is er geen middenweg mogelijk : je gaat dubbel voor dit kierewiete personage of je walgt ervan. Met het uitroepen van een schril "WHY ?" begint quasi elke grap, af en toe onderbroken door een scheldtirade richting iemand in het publiek. Ik vond de man lichtjes onweerstaanbaar en moet nog altijd grinniken bij de gedachte aan sommige van zijn grappen. Beste grap sowieso : "WHY did Britney Spears end up in rehab ? Because Kevin fed her lines ..."

Hierna mocht de wandelende beatbox Rahzel zijn kunstjes komen vertonen. Hij werd vakkundig ingeleid door DJ JS-1, die opende met een zeer indrukwekkend staaltje turntablism maar die voor de rest van de set werd gedegradeerd tot sidekick van één van 's werelds meest gerenomeerde 'vocal percussionists'. Het blijft ronduit verbluffend hoe de man erin slaagt om uit één strottenhoofd tergelijkertijd een diepdreunende baslijn, een bovenliggend ritme én een melodie te wringen. Een aantal jaren geleden wist Rahzel samen met Mike Patton de Château-tent op Pukkelpop volledig op stelten te zetten. Ook vanavond weer een leuke parade van de stemmenmeester, maar gaandeweg begonnen de interactie-spelletjes met het publiek wel te vervelen. Een concert van Rahzel heeft eigenlijk weinig of niks met muziek te maken, maar komt neer op het tonen van zijn kunsten, zoals een attractie op een freakshow. Ik had veel liever een écht concert gezien dan Seven nation army "op z'n beatbox". Wel grappig : één spelletje met het publiek bestond erin dat Rahzel uitdagend zei "Yes I can" waarop het publiek moest antwoorden "No you can't". In de oren van de beatmeister klonk de Britse uitspraak van dat zinnetje verdacht veel op "No you cunt !" ...

Vroegtijdig de kunstjesparade verlaten en sedert vele uren weer een voet gezet buiten de Centre Stage richting de Reds-zaal, waar Teenage Jesus and the Jerks acte de présence gingen geven. Opgericht door Lydia Lunch toen ze amper 16 jaar oud was, valt deze band te situeren binnen de kille en harde nowave-scene uit het New York van eind jaren zeventig, binnen dewelke ook o.a. Swans en Sonic Youth hun genese vonden. Met deze muziekscene als onderwerp publiceerden Thurston Moore en Byron Coley eerder dit jaar het boek NO WAVE
Post-Punk. Underground. New York. 1976-1980
. Om de release van dit boek kracht bij te zetten, drong Moore er bij Lunch op aan om haar ruchtmakende project van toen terug nieuw leven in te blazen, en zo geschiedde. Met Lunch op vocals, met de oorspronkelijke bassist Jim Sclavunos op snaredrum en met Thurston Moore zelf op basgitaar werd de Reds-zaal voor een klein halfuurtje omgetoverd tot een New Yorks kunstenatelier. Tijdens dat halfuurtje werd het beperkte oeuvre van Teenage Jesus & the Jerks er quasi volledig doorgedraaid. Zeker geen spek voor ieders bek, maar ik heb altijd een zwak gehad voor de nowave-scene en genoot dan ook met volle teugen van de schril uitgespuugde teksten van Lunch en het kille en afstandelijke ritme-spel van Moore en Sclavunos. Eén van mijn persoonlijke hoogtepunten van het weekend.

Squarepusher - het electronicaproject van van de Britse bassist Tom Jenkinson - stond geprogrammeerd als één van de headliners van het festival. Samen met de andere "grote" namen (Mastodon, Melvins, Butthole Surfers en Fantômas) stond hij immers dit weekend twee maal op het podium. Geplaatst achter een batterij recorders en sequencers jaagt Jenkinson nogal koele electro de zaal in, bijgestaan door een opzichtige (en zelfs vermoeiende) lichtshow. De man speelt basgitaar als de allergrootsten (Flea is een grote fan), maar kwam bij ons over als een ietwat egotrippende patser. Of misschien was de timing gewoonweg verkeerd en waren we hier niet klaar voor na een vermoeiende en intense dag. Ik neem me voor om zeker wat van 's mans werk te beluisteren, want vanavond ging zijn concert bijna volledig aan mij voorbij.

Dan was het heel wat leuker en warmer om de muzikale dag af te sluiten in de Reds-zaal met Soulsavers, een Brits productieteam rond Rich Machin en Ian Glover dat totnogtoe twee albums op zijn actief heeft. Op de laatste plaat (It's not how far you fall, it's the way you land uit 2007) verleende niemand minder dan Mark Lanegan zijn medewerking. Lanegan stond ook vanavond mee op het podium en zijn diepgravende stem werkte perfect bij de muziek van de band. Vooral de achtergrondvocalen van de twee uitstekende zangeressen vormden een ideaal contrapunt tegen de stem van Lanegan. Warme en soulvolle muziek in het midden van de Engelse nacht : een schitterende afsluiter. Hoogtepunt van het concert : het meeslepende en gospel-getinte Revival.

Na zo'n dag kun je toch niet meteen in je bed kruipen ? Dus nog maar even afgezakt naar de Crazy Horse, waar een nachtelijke DJ-set van Fuck Buttons geprogrammeerd stond. Ik twijfel eraan of het effectief de leden van dit experimentele electro-duo uit Bristol waren die achter de knoppen stonden. Niet alleen waren de mixen verre van technisch perfect, ook het gedraaide materiaal viel niet binnen hun normale repertorium. Maar dat maakte allemaal niks uit. Over Freakscene van Dinosaur Jr. tot There is a light that never goes out van The Smiths. Er werd daar een lekker feestje gedraaid. Ook iets wat je enkel op ATP ziet : er liep een flink aantal leden van diverse bands rond. Dit gaf aan Kris de gelegenheid om een babbeltje te slaan met Mastodon-drummer Brann Dailor en dit leverde ook voor mij een fantastisch moment op : dansen op de tonen van een Loveless-nummer van My Bloody Valentine naast niemand minder dan een heen en weer wiebelende Gibby "Butthole Surfers" Haynes. Vermits een gesprek met de man weinig meer zou opgeleverd hebben dan wat onverstaanbaar heen- en weergewauwel van beide partijen, besloot ik om het moment onaangetast te laten.




DAG 3


Na een paar zeer intense dagen begon de vermoeidheid stilaan door te wegen, maar ook op deze derde dag loonde het absoluut de moeite om ons nog een paar inspanningen te getroosten. Zoals bijvoorbeeld met het concert van de sympathieke Joe Lally. In een vorig leven bassist bij Fugazi staat de man momenteel aan het hoofd van een driekoppige rockband. Niet echt een gedenkwaardig concert dat me enkel zal heugen o.w.v. een anecdote die Lally vertelde : hij was daags voordien getuige geweest van het concert van de Roemeense gypsie-groep Taraf de Haidouks en was tijdens één van hun nummers dermate in trance geraakt, dat hij na dat nummer plots weer met beide voeten op de grond stond en hoopte dat onderwijl zijn portefeuille niet gepikt was ... Hij vertelde deze anecdote om het belang van muziek als universele taal te benadrukken.

Het zit de Brits-Iraanse knoppendraaister Leila Arab niet altijd mee. Op de tweede Pukkelpopdag stond ze té vroeg geprogrammeerd in een veel te grote dancehall en op ATP had ze te kampen met zware technische problemen die haar set volledig in de soep draaiden. Doodjammer, want haar sfeervolle electro-ambient valt af en toe zeer te pruimen. Het meiske stond duidelijk te vloeken en te tieren achter haar knoppen, maar het mocht niet baten. Gastmuzikanten zoals een gitarist en enkele zangers en zangeressen (waaronder ook Martina Topley-Bird, die daags voordien had opgetreden in de Reds-zaal) konden het zaakje niet meer redden. Ik had oprecht medelijden met deze muzikante die een veel beter lot verdiende.

Ik had nog nooit gehoord van de Noorse folkjazz-groep Farmers Market maar na vandaag zal ik deze olijke bende nooit meer vergeten. Onder leiding van multi-instrumentalist en dirigent Stian Carstensen werd er een verbluffende lap muziek geserveerd. Er werd volop van stijl gewisseld in de lange en eclectische nummers. Van Balkan-gekte tot jazz-crooners : dit collectief van uiterst onderlegde muzikanten beheerste het allemaal. Meerstemmige scat-zanglijnen werden zonder verpinken overgenomen door saxofoon-solo's om dan weer over te gaan in een stuk pedalsteel-country, om daarna een bocht van 180° te nemen en te eindigen in een melige crooner. Ik stond er met wijdopengesperde ogen en oren naar te kijken en kon nauwelijks geloven wat ik zag en hoorde. Muzikaal meesterschap van een torenhoog niveau. Als je ooit de kans krijgt : gaat dat zien. Mike Patton is niet voor niets een devote fan en tekende de band op zijn Ipecac-label voor hun laatste plaat Surfin' USSR (2008). Fantastische shit die ten volle werd geapprecieerd door een laaiend enthousiast publiek.

Het Israëlische trio Monotonix tapt muzikaal uit een heel wat simpeler vaatje maar bij deze band is het niet zozeer om de muziek te doen, als wel om de zeer intense en krankjoreme optredens. Zelfs de voorbereiding van het concert was al heerlijk om te observeren. De Butlins-security trok meermaals meewarig een wenkbrauw op toen de leden van de band begonnen met het opstellen van hun set : niet op het podium maar midden op de dansvloer. Uitgedost met kapsels from outer space en dito kledij trokken gitarist Yonatan, drummer Ran en zanger Ami de waanzin op gang. Het devies : rammen en spelen zolang de instrumenten het trekken. Het publiek drumt zich samen rond de band en smelt er volledig mee samen. Zanger Ami verblijft meer bovenop het publiek dan ertussen. Ook de drummer wordt af en toe de hoogte in geduwd en het mag een wonder heten dat Yonatan nog riffs gespeeld krijgt temidden van deze kolkende massa. Het "concert" eindigt noodgedwongen na een halfuur omdat de groep dan letterlijk ontbonden is : de micro van Ami heeft het al lang begeven, ook uit de gitaar is geen geluid meer te krijgen en de onderdelen van de drumset drijven verspreid over het publiek. Na dit delirium is de Reds-zaal aan een grondige onderhoudsbeurt toe en het publiek wordt in allerijl langs de nooduitgang naar buiten gedreven. De Butlins-security was duidelijk niet klaar voor drie nutcases uit Tel Aviv.

Heel wat serieuzer maar zeker even gedreven ging het eraan toe tijdens de set van het Newarkse Dälek. Hun underground-hiphop klinkt industrieel zwaar. Zo moet hiphop in mijn ogen zijn : venijnig en vlijmscherp. Geen spoortje blingbling of patserige show, maar from the gut. De omvangrijke MC Dälek ziet er dan wel uit als een cliché-hiphopper maar lacht er niet mee wanneer hij wrang opmerkt dat zijn naam niet Rahzel of Kool Keith is maar dat hij "the other brown guy" is. Producer Oktopus draaft gedreven heen en weer achter de knoppen, vanwaar hij het geheel met strenge hand regisseert. Er doen ook enkele gastmuzikanten mee, waaronder een zeer enthousiaste gitarist wiens instrument op een tafel ligt en wat hij zittend bespeelt. Een snoeiharde en compromisloze set die me moeiteloos over de streep trok. De zoveelste vuistslag in mijn gezicht tijdens dit weekend.

Uit zijn gesprekje met Brann Dailor van daags voordien had Kris opgevangen dat het einde van de tweede Mastodon-set iets speciaals zou opleveren. Ons dus snel naar de Centre Stage gerept om dit unieke moment mee te maken : Mastodon en The Melvins die samen op een podium een versie van The Bit spelen. Nog zoiets dat je in je leven nooit meer te zien zult krijgen. Een perfect rockmoment dat op dit filmpje (helaas van mindere kwaliteit) te herbeleven valt. It doesn't get any better than this.

De benzinemeter in de benenwagen begon stilaan zwaar op rood te staan. Even doorbijten dus voor het concert van The Black Heart Procession, een indierockband uit San Diego die al een tiental jaren aan de weg timmert. Mooie en rustig broeiende rockmuziek die een gepaste adempauze bood na al het muzikale geweld van de afgelopen uren en dagen. "We love you, Silent Bob !" klonk het vanuit het publiek, waarna de timide frontman Pall Jenkins af en toe trachtte om dit stille imago te doorbreken. Hij bleek echter geen begenadigd speecher te zijn en liet dus gelukkig zijn mooie en ingetogen muziek voor zich spreken.

Zou het einde van het tweede Melvins ook een verrassing opleveren ? Niet echt, tenzij dat Jared Warren ditmaal een bruine pruik droeg en zich op het einde van het concert in het publiek gooide, ondertussen de loftrompet zwaaiend over ATP. Terug op het podium gekropen, ging Warren bovenop een security-lid zitten en zong hij samen met King Buzzo de Merle Haggard-song "Okie from Miskogee" (bekijk dit hilarische moment hier). Een surrealistisch einde voor een rockconcert. Ik kan er niet aan weerstaan om de lyrics van dit lied even mee te geven :

We don't smoke marijuana in Muskogee.
We don't take our trips on LSD.
We don't burn our draft cards down on Main Street.
We like livin' right, and bein' free.
I'm proud to be an Okie from Muskogee,
A place where even squares can have a ball.
We still wave Old Glory down at the courthouse,
And white lightnin's still the biggest thrill of all.
We don't make a party out of lovin'.
We like holdin' hands and pitchin' woo.
We don't let our hair grow long and shaggy,
Like the hippies out in San Francisco do.
And I'm proud to be an Okie from Muskogee,
A place where even squares can have a ball.
We still wave Old Glory down at the courthouse,
And white lightnin's still the biggest thrill of all.
Leather boots are still in style for manly footwear.
Beads and Roman sandals won't be seen.
Football's still the roughest thing on campus,
And the kids here still respect the college dean.
We still wave Old Glory down at the courthouse,
In Muskogee, Oklahoma, USA.


Punkpioniers The Damned hadden na deze gekte weinig in de pap te brokken. Een leadzanger in smoking, de aanstellerige Captain Sensible op gitaar en vooral de aanwezigheid van een synthesizer maakten ons de pis amper lauw. De hoofdrol werd opgenomen door een met hanekam getooide roadie die constant heen en weer spurtte aan de achterzijde van het podium om technische akkefietjes op te lossen. Op zoek naar de laatste druppels Guinness - waarvan alle aanwezige vaten in het Butlins-complex soldaat waren gemaakt (66 vaten aan 88 pints per vat, volgens de barman) - nog even in de Reds-zaal gepasseerd, alwaar Ghostigital (het noise/electro-project van Sugarcubes-man Einar Örn Benediktsson) razend hart van jetje stond te geven. Het klonk behoorlijk gestoord.

Dan liever de batterijen nog even opgeladen voor de twee slotakkoorden van dit fantastische weekend. Vooreerst met het heroptreden van Boss Hog, voor het eerst in zeven jaar weer op een podium. Ik was erbij toen de band in 1996 de Antwerpse Monty in de fik stak. Hoewel de verrukkelijke frontvrouw Cristina Martinez ogenschijnlijk een stuk nerveuzer was dan toen, had ze er ook vanavond duidelijk schik in. We stonden lekker dicht bij het podium en konden La Martinez bijna ruiken, terwijl ze haar lyrics smerig en vuil over het publiek bekte. De benen van echtgenoot Jon Spencer bleken nog altijd even flexibel als vroeger. Ook nog altijd niet veranderd : het zweet dat van zijn voorhoofd spat en het spuug dat overvloedig in het rond vliegt wanneer hij - met zijn bovenlip rond de micro gedrapeerd - zijn eega van weerwoord voorziet. Een dik halfuur vol vettige en zompige rock. Olala !

Het uurschema in de Centre Stage was ondertussen flink in het honderd gelopen. Een geluk bij een ongeluk want dit gaf ons de kans om getuige te zijn van het concert van hiphop-iconen Kool Keith en scratcher kutMasta Kurt. Bijgestaan door een tweede rapper (niet meer dan een veredelde aangever) kroop Keith aanvankelijk in de huid van enkele van zijn alter-ego's (zoals Dr. Octagon en Dr. Doom), om te besluiten met een uitgebreide introductie van zijn laatste album (Dr. Dooom 2, 2008). Helaas gebeurde deze introductie middels korte samples van quasi alle nieuwe nummers i.p.v. door enkele nummers volledig te spelen. Aan het aantal mensen af te meten dat backstage stond mee te kijken (waaronder Gibby Haynes) was hier werkelijk een hiphop-legende aan het werk. Een leuke show, maar op het einde van de driedaagse marathon was het moeilijk om nog in de juiste groove te komen.

En zo kwam er een einde aan een fantastische driedaagse, die niet alleen geweldige muzikale herinneringen opleverde, maar bovenal good times amongst good friends. Voor een reeks mooie foto's verwijs ik gaarne naar de website van Genthology, waar parttime-medereizigers Ken en Bart zeer mooi materiaal hebben gepubliceerd.

2 opmerkingen:

Keust zei

Bangelijk verslag, Peter ! Geire bij ...

Monster Martens zei

Inderdaad. Ik word zowaar weemoedig van de review. I WANNA GO BACK!!!